Schaduwspits

Voetbaltrainer Louis van Gaal:
“Een boek waar ik veel in herken.”

Tip: Beweeg je muis over een foto om het bijschrift te lezen





















Milan (fragment)

‘Er zitten arrogante ventjes tussen, niet?’ zei mijn vader toen we weer in de auto zaten.
Ik haalde mijn schouders op. Ik had er niks van gemerkt.
‘Die jongens hebben vanaf hun achtste alles met 14-0 gewonnen. Die zijn wel van hun eigen kunnen overtuigd.’
‘Ze zijn ook goed,’ zei ik.
‘En jij? Ben je tevreden over hoe het ging?’
Ik knikte alleen maar, ik was moe.
‘Je moet nooit tevreden zijn,’ zei mijn vader toen we de Schipholtunnel uitreden. Hij kneep in het stuur. ‘Er is altijd iets te verbeteren.’
Ik draaide mijn hoofd weg.
‘Je moet woekeren met je talenten.’
Ik kreunde, want ik wist wat er zou komen.
‘Sommige mensen weten niet eens welk talent ze hebben als ze doodgaan.’
‘Ik gelukkig wel,’ zei ik gauw, maar hij was al niet meer te stoppen.
‘Jij weet wat je kunt. Je moet eruit halen wat erin zit, dat ben je verplicht aan je eigen talent. En ook aan al die anderen die jouw aanleg niet hebben.’
‘Zoals jij?’
Mijn vader wierp een snelle blik op me. ‘Zoals ik, ja. Ik had niet de helft van jouw talent. Jij moet nu verder, je kunt niet meer terug.’
‘Ik wil helemaal niet meer terug. Maar je kunt toch ook wel eens gewoon zeggen dat het goed ging?’
‘Je was beter dan Diego. En hem moet je eruit spelen.’
Ik knikte maar.

Thuis maakte ik mijn voetbalschoenen schoon en gooide de trainingsspullen in de wasmachine. Mijn moeder deed allang de voetbalwas niet meer, ik wist precies hoe alles werkte. Toen ik de zoemer hoorde, haalde ik de kleren uit de droger. Ik had een plank in mijn kast leeggemaakt voor mijn Titanen-spullen. Ik verschikte de stapeltjes een paar keer. Alles was rood en wit, net als bij Ajax. Voor mijn verjaardag had ik ooit een Ajax-shirt gekregen, maar ik had het nooit gedragen. Dat hoorde niet, vond ik. Als je niet bij Ajax speelde, droeg je ook het shirt niet. Ik was voetballer, geen supporter.
Ik deed mijn huiswerk en maakte mijn collage af. We moesten een werkstuk maken over non-verbale communicatie. Ik had een paar voetbalblaadjes verknipt en een vel papier volgeplakt met spelers die naar hun voorhoofd wezen, een middelvinger opstaken of hun schouders lieten hangen. Er zat een trainer op de bank die zijn handen voor zijn ogen sloeg en een scheidsrechter stuurde een speler uit het veld. Langs de randen van mijn vel papier stonden juichende en treurende supporters.
Vlak voor ik naar bed ging, zocht ik de internetsite van Titanen en las de namen van de zestien D1-spelers. Brians achternaam was Fluitsma, zag ik. Ik had op de training gehoord dat ze hem Fluut noemden, nu begreep ik waarom. Diego heette Tan van achteren. Toen ik die naam intikte in de zoekmachine, kwam ik terecht op een chatpagina.
‘Ik dacht dat Diego Tan een supertalent was,’ schreef iemand die zich Penaltystip noemde, ‘maar hij vergeet altijd af te spelen. Hij voetbalt al vanaf de F’jes bij Titanen, maar ik denk niet dat hij het gaat halen.’
Ik moest niet meer aan Diego denken. Ik kon me te goed voorstellen wat mijn komst op de training voor hem betekende. Je hoorde jaren bij de besten en opeens was je niet goed genoeg meer. Dan kwam er een of ander eikeltje, van wie ze wilden dat hij jouw plaats innam.
Mijn vriend Ramon belde precies op het goede moment om te vragen hoe het was geweest. Hij was met voetballen gestopt toen we vorig jaar D-junior werden, en we niet meer op een pupillenveldje maar op een heel voetbalveld gingen spelen. Daar word ik veel te moe van, had hij gezegd.
‘Het ging wel goed,’ zei ik. ‘Al kan het altijd beter. Mooi complex, man! Goeie ballen, velden als biljartlakens, de hele middag reden er mannetjes op maaimachines rond.’
‘En die jongens, zijn ze goed?’
‘Abnormaal. Die winnen alles.’ Ik vertelde over de linksbuiten en de doelman en over de bijnamen die ik in het veld voorbij had horen komen. Fluut voor Brian, Julius heette Juice, en Owurake werd verbasterd tot Oehoe. Jaouad noemden ze Toupé. Salomon Kalou had bij Feyenoord dezelfde bijnaam, wist ik. Kleintje, betekende het.
‘Nog lekkere wijven?’ vroeg Ramon. Hij zette vroeger het kraagje van zijn shirt omhoog als er meiden stonden te kijken.
‘Alleen maar kerels,’ lachte ik.
‘Niks aan, man!’ Hij klakte teleurgesteld met zijn tong. ‘Ik moet nog huiswerk maken. Ik zie je morgen, Bekkum.’
In bed knikte ik toen Marco van Basten op de video vertelde over het trainingscomplex van AC Milan. ‘Ah, dat was een kuuroord, heerlijk! Kwam je ’s ochtends aan, krantje lezen, kopje koffie, effe babbelen. Dan trainen, alles perfect: nieuwe ballen, shirtjes oké, veldjes biljartlakens. Daarna lekker douchen, happie eten, beetje dollen en dan lekker pleite. Lijkt me niet verkeerd.’





Lezers!
In januari mag ik bij de universiteit van Tilburg een lezing geven over jongensboeken, meisjesboeken, lezers en lezeressen. Het zou fijn zijn als je daarvoor een paar vragen wilt beantwoorden. Het invullen duurt een paar minuten.

Ja, ik wil graag meedoen aan deze enquete.
Nee, ik wil liever een andere keer meedoen aan deze enquete.