Schaduwspits

Ajacied Timo Letschert:
“Normaal houd ik niet van lezen, maar Schaduwspits vond ik leuk!”

Tip: Beweeg je muis over een foto om het bijschrift te lezen





















Freke (fragment)

Ik sprong van mijn bed af en sloot het raam. Ik kon nooit lang naar dat joch kijken.
Geschift was hij – altijd op dat veldje!
Meestal samen met vrienden, vaak met zijn vader, maar altijd was hij er, dat bezeten ventje met die bal.
‘Titanen!’ had zijn vader geroepen. Ik kende de naam, het was een club die iets met Ajax te maken had, veel bekende profvoetballers kwamen ervandaan. Mijn zegen had hij. Kon hij zich omringen met andere leeghoofden. Ik vond het onbegrijpelijk dat hij bij ons op school zat, want hij moest toch een stuk zwart-wit leer in zijn hoofd hebben in plaats van hersens. Met een beetje geluk zat daar nog een binnenbal in, maar vooral een hoop lucht.
Ik schudde mijn hoofd en sloeg mijn waaiboek open bij de bladzijde die ik gisteren had volgeklad met mijn nieuwste vragen.

Ben je ook een emotie-eter?
Wanneer krijgen we de eerste vrouwelijke generaal?
Waarvan zou je er graag tweehonderd willen hebben?
Ik pakte een pen en schreef er met grote hanenpoten onder:

Waarom staat iemand in godsvredesnaam de hele dag een voetbal hoog te houden?
Ik haalde mijn schouders op. Dit was zo’n vraag waar ik echt het antwoord niet op wist. Ik bladerde naar het begin van het waaiboek. Op het schutblad stond een groot rood vraagteken.
Waarom? had ik eronder geschreven.
Why?
Waai
Het boek had ik vorige week van mijn moeder gekregen. Voor als je alleen bent, had ze gezegd. Kun je je eigen verhalen schrijven. Ze had verwacht dat ik Robyn vreselijk zou missen. Wist zij veel.
Waarom zou ik een verhaal schrijven? kraste ik op de eerste bladzijde. De vraag had weer een nieuwe opgeroepen. Waar moet het over gaan? En weer een, en nog meer.

Waar speelt het?
Wie zijn de slechten?
Wat willen ze?
Loopt het goed af?
Het verhaal had ik niet geschreven. Ik had er meer lol in om nieuwe vragen te bedenken. Als er een voorbij fladderde, ving ik hem en prikte hem op. Ik bedacht zelf vragen, hoorde ze van anderen en vond ze in boeken, bijsluiters en tijdschriften. In een paar dagen had ik eindeloze reeksen op papier gezet.

Hoe zou de Boeddha om salarisverhoging vragen?
Wat zou je doen als je voor één dag een jongen was?
Hou jij van lekker tutten voor je naar een feest gaat?
Zijn er vrouwen die nooit ongesteld worden?
Beweegt u wel genoeg?
Worden deze borsten ooit even groot?
Blijf je lang boos?
Ik vroeg me af of ik de vragen moest rubriceren, of de bron erbij vermelden. Maar zo, kriskras door elkaar, kregen domme vragen iets snuggers en werden slimme vragen suf.

Wat is een goed lunchpakket?
Welke kleren moet je eigenlijk nooit meer dragen?
Wat is gezag?
Door de telefoon las ik mijn moeder sommige vragen voor.

Wat was je leukste speelgoed toen je klein was?
Omschrijf je het als een nachtmerrie of een droom?
Wat denk je dat er achter de sterren is?
‘Waar ben je trots op?’ vroeg ik.
Na lang nadenken zong ze vrolijk: ‘Dat ik heb durven scheiden.’
Ik rilde. Eigenlijk ging mijn moeder zich steeds meer aanstellen. Met afgrijzen dacht ik aan die keer dat mijn vriendinnen en ik haar achter het fornuis hadden zien staan terwijl ze boeddhistische mantra’s zong. En dan die korte grijze stekelkop, dat overdreven gelach, die rare jurken... Iedereen keek mijn moeder na op straat, zag ik. Ik wist het wel – welke kleren ze nooit meer zou moeten dragen.

Die avond fietsten mijn vader en ik naar haar toe. Mijn ouders zeiden maar steeds hoe stil het was zonder Robyn, maar ik vond het fijn stil. Na de falafelburgers vertelde ik over mijn verhuizing naar de kamer aan de voorkant.
Mijn moeder trok een wenkbrauw op. ‘Vindt Robyn dat goed?’
Ik snoof. ‘Robyn? Die merkt het wel. Je zou ook kunnen zeggen dat je het leuk voor me vindt.’
‘Weet Robyn van niks? En jij?’ Ze keek naar mijn vader. ‘Wat vind jij daarvan?’
‘Ik? Ik kan het wel begrijpen,’ zei mijn vader samenzweerderig in mijn richting. ‘De kamer van Robyn is groter en lichter. En zo vaak zullen we Robyn niet meer zien. Ik vind het allemaal helemaal prima.’
Ik lachte dankbaar naar hem.
Later vertelde ik over de tennislessen en de fotoclub, en dat ik gevraagd was om mee te helpen met de musical.
‘Is dat niet wat veel hooi op je vork?’ vroeg mijn moeder. Ze zat in kleermakerszit op de poef en roerde langzaam in haar goed-voor-je-blaas-thee.
Ik rolde met mijn ogen. ‘Denk je dat ik het niet kan?’
‘Dat zeg ik toch niet?’ zei mijn moeder. ‘Ik vind alleen dat je alles half doet. Je kunt beter één ding goed doen.’
‘Ik deed dingen half,’ zei ik, terwijl ik mijn vuisten in mijn zij zette, ‘omdat Robyn toch altijd alles beter deed.’ Ik haalde diep adem. ‘Misschien ga ik ook nog wel in de redactie van de Tok.’
Mijn moeder lachte. ‘Wil je ook een eigen rubriekje in de schoolkrant?’ Ze stond op en schonk zich een nieuw glas thee in. ‘Frekes Fratsen zeker?’
Ik kneep zo hard in mijn vuisten dat de nagels in mijn vel drukten.
Voordat mijn vader naar huis ging speelden we nog een potje Sequence. Toen ik mijn ouders had verslagen besefte ik opeens dat ik vroeger vaak met opzet verloor. Robyn kon echt hysterisch worden als zij niet won.





Lezers!
In januari mag ik bij de universiteit van Tilburg een lezing geven over jongensboeken, meisjesboeken, lezers en lezeressen. Het zou fijn zijn als je daarvoor een paar vragen wilt beantwoorden. Het invullen duurt een paar minuten.

Ja, ik wil graag meedoen aan deze enquete.
Nee, ik wil liever een andere keer meedoen aan deze enquete.